Het feest van leven uit de dood.
Pasen is hét centrale feest van de christelijke kerk. Het is het feest van leven uit de dood. Je ziet dat terug in de symbolen van de lente: narcissen, eieren, kuikentjes en lammetjes. In de kerk draait het niet om de lente, maar om de dood en opstanding van Jezus Christus. Wekenlang wordt naar dit feest toegeleefd: de vastentijd of lijdenstijd.
Pesach
De dood en opstanding van Jezus vonden plaats op het Joodse Paasfeest, dat Pesach heet. Dan herdenken de Joden de bevrijding uit de slavernij van Egypte. De uittocht of exodus was het begin van de trektocht onder leiding van Mozes naar het beloofde land.
 
Palmpasen
De zondag voor Pasen heet Palmpasen. Dan wordt stilgestaan bij de komst van Jezus naar Jeruzalem, waar Pesach gevierd zal worden. Hij kwam op een ezel. Mense zwaaiden met palmtakken (vandaar Palmpasen) en riepen: Hosanna!
Een paar dagen later was de stemming helemaal omgeslagen. De menigte riep toen: 'Kruisig Hem'.
 
Avondmaal
Donderdag voor pasen herdenkt de kerk dat Jezus Pesach viert met zijn leerlingen. Tijdens de maaltijd verdiept Hij de betekenis van brood en wijn. 'Brood' noemt Hij 'mijn lichaam' en 'wijn' 'mijn bloed'. Door brood te eten en wijn te drinken krijgen de leerlingen deel aan zijn dood.
 
Kruisdood
De volgende dag sterft Jezus inderdaad aan een kruis. Zijn dood betekende echter niet alleen een vreselijk einde, maar ook een nieuw begin. Het kruis is teken van verzoening tussen God en mensen. Daarom het de vrijdag 'Goede Vrijdag'. Drie dagen later staat Jezus op uit de dood. Pasen is opstanding: er is verzoening tussen God en mensen, alle leed en schuld is door Jezus weggedragen. Ook de dood heeft het laatste woord niet meer.